Van alle psychologen die over emoties hebben geschreven, heeft de Nederlander Nico Frijda (1927–2015) mijn denken het sterkst gevormd (zie ook hier). Dat ik op deze blog over Spinoza en psychologie juist bij hem begin, is geen toeval. Frijda heeft zich zijn leven lang met Spinoza ingelaten, en tot in zijn laatste werk voelde hij zich met de filosoof verwant. Wie Spinoza en de moderne emotiepsychologie naast elkaar wil leggen, kan nauwelijks een betere gids vinden.

Kunnen mensen vrij zijn? Ja, een beetje
Frijda geldt als een van de grondleggers van het moderne emotieonderzoek. In 2000 hield hij voor de Vereniging Het Spinozahuis een lezing met de vraag of Spinoza’s emotietheorie nog betekenis kan hebben voor het hedendaagse wetenschappelijke onderzoek. Zijn antwoord was een volmondig ja.
Frijda kende Spinoza’s filosofie van binnenuit, en zijn lange loopbaan in het emotieonderzoek stelde hem in staat tot een afgewogen oordeel. Kenmerkend voor hem was een zekere nuchterheid. Zijn beroemde oratie uit 1965 droeg de titel “Kunnen mensen denken?“; het antwoord luidde: ja, een beetje. Kees Schuyt merkt in Spinoza en de vreugde van het inzicht op dat je Frijda over Spinoza eenzelfde vraag zou kunnen stellen “Kunnen mensen vrij zijn?” met hetzelfde antwoord: ja, een beetje. Maar in dat kleine beetje, schrijft Schuyt, zit precies het verschil tussen een beschaafde en een onbeschaafde samenleving.Emoties ontstaan uit betekenis.
Frijdas centrale inzicht is dat een emotie geen rechtstreeks gevolg is van wat ons overkomt, maar van de betekenis die we eraan geven. Niet de gebeurtenis zelf maakt ons boos, bang of blij, maar onze cognitieve inschatting van wat zij voor ons betekent. Vakgenoten noemen dit de appraisaltheorie, en Frijda is er een van de grondleggers van.

Spinoza wordt in overzichten van die cognitieve psychologische “appraisal”-traditie als historische voorloper genoemd, naast de Stoa. Zoals bij de Stoa komen ook bij Spinoza de affecten niet voort uit de dingen zelf, maar uit de manier waarop de geest die dingen voorstelt. En net als Frijda merkte Spinoza op dat een aandoening sterker is naarmate ze door een heldere, concrete voorstelling wordt opgeroepen dan door een vage of abstracte (Ethica, deel IV–V). Een levendig voorgesteld gevaar raakt ons nu eenmaal meer dan een statistisch gevaar, ook als dat laatste objectief groter is.

Het slot van The Laws of Emotion
De plek waar Frijda zich het meest onverhuld als spinozist laat kennen, is het slot van zijn late hoofdwerk The Laws of Emotion (2007). Daar beschrijft hij, persoonlijk en bijna ontroerd, de vreugde die het hem gaf de wetten van de emotie te formuleren. Er schuilt volgens hem troost in het besef dat emoties wetmatig zijn en deel uitmaken van de natuurorde: troost in het erkennen van noodzakelijkheid.
Vervolgens haalt hij Spinoza aan. Er bestaat, zo betoogt Frijda, geen werkelijke tegenstelling tussen wetmatigheid en vrijheid. Vrijheid bestaat er immers in te handelen naar je eigen wetten in plaats van naar wetten die een ander oplegt. Die formulering is Frijda’s parafrase, geen letterlijk citaat, maar ze raakt de kern van Spinoza’s definitie van de vrije oorzaak: vrij heet datgene wat alleen uit de noodzakelijkheid van zijn eigen natuur bestaat en enkel door zichzelf tot handelen wordt bepaald (Ethica I, definitie 7). Vrijheid en noodzakelijkheid zijn bij Spinoza dus geen tegenpolen. Vrije actie handelt juist uit de noodzakelijkheid van haar eigen natuur.
Daarmee sluit Frijdas slotgedachte aan bij een van de bekendste stellingen uit de Ethica: naarmate de geest de dingen als noodzakelijk begrijpt, heeft hij meer macht over zijn aandoeningen en lijdt hij er minder onder (deel V, stelling 6). Dat is geen oproep tot gevoelloosheid. Spinoza belooft geen onthechting, maar een verschuiving: van lijdende, passieve emoties naar handelende, actieve. Het inzicht in de noodzakelijkheid neemt een gevoel zoals angst niet weg, maar verlicht de last ervan.

Waarom Frijda, en niet Damasio
De naam die in het verband van psychologie en Spinoza meestal het eerst valt, is niet die van Frijda maar die van de neuroloog Antonio Damasio, die met Het gelijk van Spinoza (2003) Spinoza bij een breed publiek terugbracht. Toch kies ik bewust voor Frijda. Schuyt verwoordt waarom: Frijdas betoog over het hedendaags belang van Spinoza is veel overtuigender dan Damasio’s filosofisch minder geslaagde poging. Waar Damasio Spinoza vooral inlijft bij de neurowetenschap, leest Frijda hem als psycholoog én als filosoof, en doet hem daarmee meer recht. Op Damasio kom ik in een latere blog nog terug.
Troost in het inzicht
Wat mij in Frijda telkens opnieuw raakt, is dat hij de wetmatigheid van het gevoelsleven niet als een beperking presenteert, maar als een bevrijding. “De rede zet niet aan tot rede; emoties doen dat wel,” stelde hij nuchter vast. Je gevoelsleven is geen persoonlijk falen, maar een natuurlijk proces met een eigen logica. Juist in het kennen van die logica ligt ruimte voor vrijheid. Dat is, ruim drie eeuwen na de Ethica, nog altijd een spinozistische gedachte. Het is ook het spoor dat ik op deze blog verder wil volgen.
Literatuur
- Frijda, N. H. (2000). Spinoza en het moderne emotie-onderzoek. Mededelingen vanwege het Spinozahuis, nr. 70. Delft.
- Frijda, N. H. (2007). The Laws of Emotion. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.
- Reeve, J. (2024). Understanding motivation and emotion. John Wiley & Sons.
- Schuyt, K. (2017). Spinoza en de vreugde van het inzicht. Persoonlijke en politieke vrijheid in een stabiele democratie. Amsterdam: Balans.
- Spinoza, B. de, Ethica (1677), vert. N. van Suchtelen. Project Gutenberg, eBook nr. 15497.